Drie wandelaars in regenjassen, met regenhoezen om hun rugzak, op een nat bospad in de mist

Kleding · De basis

Het laagjessysteem: drie lagen voor Nederlands weer

Home / Kleding / Het laagjessysteem

Kledinggids · leestijd 6 min · kopfoto: Greg Rosenke, Unsplash

Op een wandeling kleed je je voor twee toestanden tegelijk. Lopend maak je warmte en zweet je, ook als het koud is. Sta je stil, of kom je op een open stuk in de wind, dan koel je snel af. Met een dikke jas heb je maar twee standen: aan of uit. Met drie lagen heb je er meer, want je trekt ze stuk voor stuk aan en uit. Meer is het laagjessysteem niet, en je kunt ermee beginnen met kleren die je al hebt.

Drie lagen, elk met een taak

Het heet ook wel het drielagensysteem. De onderlaag voert zweet af, de tussenlaag houdt je warmte vast en de buitenlaag houdt wind en regen tegen. Bij elke laag hoort dezelfde voorwaarde: hij moet vocht naar buiten doorgeven. Blijft je zweet ergens hangen, in een shirt, een trui of een jas, dan word je van binnenuit nat. Zolang je loopt merk je dat nauwelijks. Bij de eerste pauze wel, want een vochtig lichaam koelt veel sneller af.

Je draagt ze niet steeds alle drie. Op een zomerdag is de onderlaag vaak genoeg en zit de rest in de rugzak; in de winter heb je ze alle drie aan.

De onderlaag: droog op de huid

De onderlaag is het shirt dat je op je huid draagt. Zijn eerste taak is niet warmte maar droogte: hij moet zweet zo snel mogelijk afvoeren. Sportondergoed dat daarvoor gemaakt is, heet thermokleding, en dat is er van merinowol, van polyester en van een mengsel van de twee. Wol gaat minder snel stinken, maar is duur en slijt eerder. Polyester droogt snel en blijft lang goed, maar gaat eerder ruiken.

Een onderlaag hoort aan te sluiten zonder te knellen. Een shirt dat los om je lijf hangt, raakt je huid niet en voert dus weinig zweet af.

Katoen valt af. De ANWB zegt het zo: het materiaal neemt te veel vocht op en droogt niet snel genoeg. Je loopt dan met een nat shirt op je rug. Wie nog geen thermoshirt heeft, kan beginnen met een sportshirt van polyester. Dat ligt bij veel mensen al in de kast.

De tussenlaag: je eigen warmte vasthouden

De tussenlaag maakt zelf geen warmte: hij houdt de warmte vast die jij maakt. Fleece is daarvoor het bekende materiaal, want het is licht, klein op te bergen en warm, en het geeft vocht door. Een dunne fleece voor de zomer, een dikkere voor de winter. Een wollen trui kan ook, maar is vaak zwaarder en neemt meer ruimte in. Een katoenen trui valt om dezelfde reden af als het katoenen shirt.

De andere bekende tussenlaag is de gewatteerde jas, gevuld met dons of met synthetische vezels. Dons isoleert heel goed, weegt weinig en is klein op te vouwen. Het heeft een zwakke plek: zodra dons nat wordt, verliest het zijn isolerende werking. Synthetische vulling kan beter tegen vocht. In een land waar het vaak regent, pleit dat tijdens het lopen voor fleece of een synthetische vulling. Een donsjas is op zijn best bij droge kou en in de pauze. Regent het, dan hoort er een regenjas overheen.

De buitenlaag: wind en regen buiten

De buitenlaag is de jas die regen en wind tegenhoudt. Er zijn er twee soorten, en het verschil merk je pas onderweg. Een gewone regenjas houdt regen buiten maar laat ook niets naar buiten: na verloop van tijd word je er van binnen nat in van je eigen zweet. Een ademende regenjas, in outdoorwinkels een hardshell, heeft een membraan: een laagje in de stof dat regen tegenhoudt en waterdamp van binnen naar buiten laat.

Of jouw jas ademt, staat doorgaans op het label of in de omschrijving van de fabrikant. Heb je een gewone regenjas, dan is die voor een korte ronde of een enkele bui goed genoeg. Doe hem uit of open zodra het droog is.

Rug van een wandelaar in een blauw met oranje regenjas vol druppels, capuchon op, op een bospad in de mist

Regen blijft als druppels op de buitenlaag liggen. Achter op de capuchon zit het koordje waarmee je hem strakker stelt. Foto: Andy Køgl, Unsplash

Ook een ademende jas heeft een grens. Loop je stevig door of klim je, dan maak je meer zweet dan het membraan kan afvoeren. Daarom zijn ritsen onder de oksels zo handig: je laat warmte ontsnappen zonder dat de jas open hoeft. Let bij het passen verder op drie dingen. De jas moet ruim genoeg zijn voor de lagen eronder. De capuchon moet je strakker kunnen stellen, zodat hij met je hoofd meedraait en niet voor je ogen zakt. En manchetten en zoom moeten dicht kunnen, met klittenband of elastiek.

De buitenlaag is er niet alleen voor regen. In de wind verlies je meer warmte dan in de luwte; het is de reden dat het KNMI naast de temperatuur een gevoelstemperatuur geeft, berekend uit de luchttemperatuur en de wind. Op een droge, winderige dag is dezelfde jas je windscherm.

Veel wandelaars lopen op droge dagen in een softshell. Die is winddicht en een beetje warm, en hij ademt beter dan een regenjas. Waterdicht is hij niet. Een lichte bui kan hij aan; voor lang of hard regenen hoort er een regenjas in de rugzak.

Onderweg: uit voor je zweet, aan voor je afkoelt

Het systeem werkt alleen als je de lagen ook echt wisselt. Vertrek een beetje fris. Na een minuut of tien lopen ben je meestal op temperatuur. Trek voor een klim of een stevig stuk de tussenlaag uit, voordat je onderlaag doorweekt is. Trek hem weer aan zodra je stilstaat, niet pas als je het koud hebt. De regenjas zit in de rugzak tot het gaat regenen of waaien.

Wandelaar met muts staat op een besneeuwde heuvel bij zijn rugzak en houdt een blauwe gewatteerde jas in zijn handen

Wisselen bij een stop: de gewatteerde jas gaat de rugzak in of uit. Foto: Maël Balland, Unsplash

Op een vlakke ronde in een vast tempo wissel je misschien niets, en dat is ook goed. Op een route met klimmen, open stukken en pauzes stop je al snel twee of drie keer. Dat vraagt om een rugzak waar een fleece en een jas in passen, en om lagen die snel aan en uit gaan: een vest met een rits is makkelijker dan een trui over je hoofd.

Begin met wat je hebt

Je hoeft niet in één keer drie nieuwe lagen te kopen. Een sportshirt, een fleecevest en de regenjas die aan de kapstok hangt: daarmee kun je beginnen. Loop er een paar keer mee, dan merk je welke laag tekortschiet. Is je shirt na een uur klam en blijft het dat, dan is de onderlaag de eerste verdachte. Heb je het bij elke pauze koud, dan mist er een tussenlaag, of je trekt hem te laat aan. Hield je jas de regen buiten en was je er toch nat onder, dan ademt de jas te weinig voor je tempo, of je had er een laag te veel onder.

Voor je benen hoef je ook niet meteen iets te kopen. Een spijkerbroek kan op de meeste wandelingen prima. Een wandelbroek is lichter, soepeler en droogt sneller, en dat merk je na een bui. Een regenbroek trek je pas aan als het echt regent, maar wacht er niet te lang mee: een natte broek onder een regenbroek droogt slecht.

Hoe dit uitpakt op een natte helling in Zuid-Limburg, per seizoen, staat in Wat trek ik aan in het Heuvelland. En wie het wil uitproberen op een korte ronde met open stukken en bos: de Maasduinen rond het Reindersmeer zijn daar geschikt voor.