Gear-tip · leestijd 6 min · kopfoto: Thomas Marquize, Unsplash, bijgesneden
Een goede wandelschoen is geen vast type: hij past bij je voet en bij wat je ermee gaat doen. Bij je eerste paar kom je al snel twee dingen tegen: een letter van A tot en met D, en de hoogte van de schoen. Voor Nederland en het heuvelland valt de helft van die letters meteen af.
A tot en met D: wat de letters zeggen
De letters komen van schoenfabrikanten; Meindl zegt ze in 1976 als eerste bedacht te hebben. Een letter gaat vooral over de stijfheid van de zool, van heel soepel bij A tot uiterst stijf bij D. Een soepele zool loopt comfortabeler, een stijve geeft meer stabiliteit en steun.
Meindl telt zes stappen: A, A/B, B, B/C, C en D. Als wandelaar heb je volgens de ANWB genoeg aan de eerste drie; de rest is voor bergbeklimmers en alpinisten. Zo deelt de ANWB ze in, hier in eigen woorden:
- A: bijna altijd een lage schoen, voor vlakke, effen grond zoals de Nederlandse hei en het bos.
- A/B: meestal halfhoog of hoog, bedoeld voor heuvels als die van Zuid-Limburg en de Belgische Ardennen. De zool buigt nog redelijk mee, wat op grind en asfalt prettig loopt.
- B: de bergwandelschoen. Een duidelijk stijvere zool, zodat je stenen en kiezels minder voelt, een hogere en stijvere schacht, en meer gewicht.
Meindl zelf legt de lat een stap hoger: daar is A een schoen voor vrije tijd en goede paden, en begint wandelen bij A/B, ook in vlak land. De letters zijn dus geen norm: de indeling verschilt per fabrikant, en veel fabrikanten gebruiken inmiddels een eigen indeling. Neem de letter als richting, en vraag in de winkel voor welk terrein de schoen bedoeld is.
Loop je vooral in Nederland, het Limburgse heuvelland inbegrepen, dan zijn A en A/B een goed begin. Een B-schoen wordt interessant als hetzelfde paar ook mee moet naar de bergen.
Laag, halfhoog of hoog
De schacht is het deel van de schoen boven de zool, dat om je voet en enkel sluit. Bij een lage schoen blijft je enkel vrij. Een halfhoge schoen sluit net over de enkel, een hoge loopt verder door. Een vaste grens tussen die twee is er niet: de woorden lopen door elkaar. Kijk in de winkel dus waar de rand van de schacht bij jouw enkel komt. Voor je eerste paar is de keuze vooral: enkel vrij of enkel omsloten.
Een lage schoen geeft veel vrijheid bij de enkel en bij het afwikkelen van je voet, en hij is meestal licht. Als richtgetal: een lichte, lage wandelschoen weegt 300 tot 450 gram per schoen, een klassieke bergwandelschoen zo'n 600 gram. Dat gewicht til je bij elke stap op. Het nadeel van laag merk je bij plassen en op drassige grond, waar je je voeten moeilijk droog houdt.
Een hogere schacht houdt meer buiten, zoals steentjes en nattigheid uit lang gras; voor het mulle zand van de Maasduinen worden hoge schoenen aangeraden. Hij geeft ook iets meer steun aan voet en enkel, maar is warmer en laat je enkel minder bewegingsvrijheid.
Halfhoog: de schacht komt tot net boven de enkel. Foto: Clay Banks, Unsplash, bijgesneden
Hoog: de schacht loopt verder door. De takjes zijn versiering, het bergdal is geen Limburg. Foto: Tanya Prodaan, Unsplash, bijgesneden
Vaak lees je dat een hogere schacht je enkel beter beschermt. De NKBV zet daar een kanttekening bij: trailrunners lopen meer risico dat hun voet wegglijdt dan wandelaars, en rennen toch op lichte hardloopschoenen door de bergen. De bond raadt aan te kiezen op wat je zelf prettig vindt aan bewegingsvrijheid en comfort.
Waterdicht of niet
Veel wandelschoenen hebben een membraan: een laag die als een soort sok aan de binnenkant van de schoen zit, water van buiten tegenhoudt en zweet naar buiten doorlaat.
Het membraan laat zweet in beperkte mate door, zodat je vooral bij warm weer sneller last kunt krijgen van zweetvoeten en blaren. Het slijt bovendien bij gebruik, zodat je op den duur toch kans hebt op natte voeten.
Heb je snel warme voeten, of loop je vooral bij mooi weer, dan is een schoen zonder membraan volgens de ANWB meestal de betere keuze. Voor de modderige paden van Zuid-Limburg valt de afweging naar waterdicht uit; waarom staat in Wat trek ik aan in het Heuvelland.
De zool: profiel en hak
Het profiel is het patroon van noppen en groeven onder je schoen. Een diep profiel geeft vooral op onverharde grond houvast: de noppen grijpen in de bodem, zoals bij een voetbalschoen.
De hak is de rand waar de zool onder je hiel een trede maakt. Een stevige, hoekige hak remt als je afdaalt en helpt voorkomen dat je schoen wegglijdt, zeker in nat gras en in modder. Veel lage wandelschoenen hebben geen echte hak: draai de schoen in de winkel om en kijk ernaar.
Hier zitten de groeven van het profiel vol modder; de noppen krijgen dan minder vat op de grond. Foto: engin akyurt, Unsplash, bijgesneden
Een versleten profiel wordt in modder of klei glad. Schraap je zool onderweg schoon met een takje en bekijk het profiel voor je vertrekt. Voor de modder in het heuvelland is dit het beginpunt: een diep profiel, een hak die remt en een schone zool. Wegglijden sluit het niet uit. Waarom löss na regen modder wordt, lees je in Het Limburgse landschap lezen.
Passen en inlopen
Koop je eerste paar in een winkel, niet via internet: je kunt er proeflopen en meestal ruilen. Ga in de middag, want je voeten worden gedurende de dag iets dikker. Neem de sokken mee waarin je gaat wandelen, en je steunzolen als je die draagt. Pas meerdere merken en maten, want maten verschillen per merk. Houd het paar dat goed lijkt te zitten minstens tien minuten aan en loop ermee rond: het materiaal wordt dan warm en past zich aan. Let op vier dingen:
- Lengte. Voor je tenen hoort ongeveer een centimeter ruimte te zijn; register-podologen houden voor schoenen in het algemeen een tot anderhalve centimeter aan. Bergaf schuift je voet naar voren, en dan mogen je tenen de neus niet raken. Test dat op een trap of helling.
- Hiel. Die mag niet te veel op en neer gaan: een hiel die slipt geeft blaren.
- Breedte. De schoen moet breed genoeg zijn bij de bal van je voet. In de breedte geeft een schoen bij het inlopen soms nog iets mee, in de lengte niet.
- Beide voeten. Pas beide schoenen: je voeten zijn vaak niet even lang, en de langste telt.
Een wandelschoen hoort in de winkel al goed te zitten. Inlopen is wennen en controleren; een verkeerde maat krijg je er niet goed mee. Draag je nieuwe schoenen eerst in huis, daarna op een korte wandeling, en bouw dan de afstand op. Binnen blijven ze schoon; vraag voor je koopt of je ze dan nog mag ruilen.
Kan het ook op sportschoenen?
Een hele dag lopen op sportschoenen kan, zolang ze je voeten genoeg steun geven; slappe sportschoenen zijn voor langere afstanden af te raden. Het zwakke punt van een sportschoen is de zool. Die is op straat prima, maar kan op bergpaden voor glijpartijen zorgen. Op een modderig pad mis je om dezelfde reden het diepe profiel.
De volgende stap is een middag in een winkel. Bedenk waar je het meest gaat lopen, neem je wandelsokken mee en pas een lage en een hogere schoen na elkaar. Zijn je schoenen ingelopen, dan zijn er twee routes waar je voelt wat de ondergrond doet: het mulle zand van de Maasduinen en de holle wegen van het Gulpdal, die na regen modderig zijn.